Share this post on:



Vooraf

Xavier Dieux was de eerste name partner van het kantoor waar ik in 2000 als jonge snaak begon: Dieux Geens Cornelis. Al tijdens mijn studies was ik geïntrigeerd door de naam waarnaar ik zo vaak moest verwijzen in de voetnoten van een licentiaatswerk vennootschapsrecht: DIEUX, X., volgens de toenmalige V&A-regels. Decaan aan de ULB nog wel…Nadien, als startend advocaat, gaf het toch altijd een speciaal gevoel als je hem in de gang tegenkwam. Om maar te zeggen dat ik zeer blij was een dikke 20 jaar later te mogen meeschrijven aan het Liber Amicorum Xavier Dieux, dat hem gisteren feestelijk werd overhandigd. Geheel in de traditie van het vrij onderzoek als stichtend beginsel sinds 1834 van ons beider alma mater, bevat mijn bijdrage een kritische reflectie over een van zijn standpunten, of althans over de manier waarop dit in het WVV werd vertaald. In deze blogpost vat ik mijn voornaamste bevindingen samen.

Exit gemeen vennootschapsrecht in het WVV

Het gaat meer bepaald om de “speciale militaire operatie” van het WVV tegen het gemeen vennootschapsrecht, en meer bepaald tegen de lastgeving als een van de doelwitten. Het leidt immers weinig twijfel dat Xavier Dieux, indien misschien niet de generaal, dan toch minstens de huisideoloog van deze operatie was. Gelijkenissen met bestaande gebeurtenissen zijn uiteraard zuiver toeval, maar toegespitst op de lastgeving was de initiële aanval nogal chaotisch, en volgde een poging tot hergroepering via de “reparatiewet”[1] . Op basis van artikel 2:51 WVV is een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling  van de hem opgedragen taak. In het Frans luidde dit in 2019 echter : “de la bonne exécution du mandat qu’il a reçu”. Dit werd “gerepareerd” tot: “de la bonne exécution de la mission qui lui a été confiée”. Volgens de toelichting van het Kamerlid dat het wetsvoorstel indiende, is dat omdat het betuursmandaat geen lastgeving is.[2]

Kijk, dit vind ik nu echt niet ernstig.

Wat exact het bezwaar was tegen een algemeen deel met gemeen vennootschapsrecht, was me al niet duidelijk. Een sokkel met algemene principes, en dan gradueel specifiekere regels en/of afwijkingen, lijkt me toch nog altijd het ideaal van een goed wetboek. Je kan nog altijd veel over ons vennootschapsrecht opsteken met een grondige lectuur van de titel Du contrat de société uit het de Code Civil van 1804. Dat bleef tot de codificatie van 1999 via het B.W. ons gemeen vennootschapsrecht, en ook nadien nog via de (toegegeven, hier en daar wat geschaafde) transpositie in boek II van het W. Venn. Uiteraard was het hoog tijd voor wat opfriswerk, maar daarvoor bood het WVV net een uitgelezen kans. De opstellers van het WVV maakten echter van bij aanvang een princiepskeuze tegen een algemeen deel. Ik heb dat nooit goed begrepen (althans inhoudelijk). Zeker nu professoren over het algemeen de verkokering en technische instrumentalisering van ons recht met lede ogen aankijken. Zij bewenen in lessen en geschriften de teloorgang van algemene principes en van transversaal redeneervermogen, ten voordele van het memoriseren van een kluwen aan disparate technische wetsbepalingen.  Hoe merkwaardig dan toch dat het WVV als “professorencodificatie” bij uitstek, bewust de idee van een gemeen vennootschapsrecht in het verdomhoekje zet. Dat de boodschap is: behandel voortaan vooral de verschillende vennootschapsvormen als eilandjes die met mekaar niks te maken hebben, en probeer vooral geen transversale mechanismen te duiden. Steek je energie liever in het uit het hoofd leren van de technische regels van paragraaf x van artikel y, eerder dan te zoeken naar de fundamentele juridische architectuur van, bijvoorbeeld, het bestuursmandaat.

Aanslag op de lastgeving

Dus goed, ik werd al niet heel vrolijk van de exit van het gemeen vennootschapsrecht. Maar de slinkse aanslag met de “reparatiewet” op de lastgeving als juridische sokkel van het bestuursmandaat gaat me toch te ver.

Ten eerste omdat lastgeving zowel historisch als conceptueel het bestuursmandaat als gegoten zit. Dat het bestuursmandaat in ons recht historisch als een toepassing van de lastgeving werd opgevat, is zo klaar als een klontje. Maar ook conceptueel is het een match made in heaven. Ik werk dat verder uit in mijn bijdrage, en eerder in meer detail in mijn proefschrift.[3]

Ten tweede, omdat ik de baten van de aanval niet inzie. Het voordeel van een diepgeworteld en solide juridisch fundament voor het bestuursmandaat is uiteraard evident. Het bevordert niet enkel het theoretisch begrip, het helpt ook open vragen en interpretatiekwesties te beantwoorden. De lastgeving snelde het vennootschapsrecht in de loop der tijden al vele malen ter hulp. Zelfs wie wél conceptuele of theoretische splinters in het oog van de lastgeving ontwaart[4], moet erkennen dat  stabiliteit ook waarde heeft. Zeker over basisvragen m.b.t. basisrechtsfiguren van ons privaatrecht. Daarin zit een enorme historische investering vervat, die rendeert op het vlak van voorspelbaarheid en gebruiksgemak voor de doorsnee rechtsbeoefenaar.

Ten derde, omdat de manier waarop tegen de borst stuit. Het is niet ernstig om een argument tegen de lastgevingskwalificatie van het bestuursmandaat binnen te smokkelen via de toelichting van één kamerlid bij een wetsvoorstel dat zogenaamd tot reparatie strekt. De knoestige eik verdient beter dan deze nachtelijke kettingzaag.

Stand van zaken in het WVV na de “reparatie”: wat hebben we nu gewonnen?

Maar goed, rustig blijven en diep ademhalen. Sterft, gij oude vormen en gedachten. Misschien is de nieuwe bewegwijzering van het WVV wel veel duidelijker en coherenter. Welke stafkaart ontvouwt zich aan de leergierige studente (m/v/x) die de juridische grondslagen van het bestuursmandaat wil doorgronden?

In boek 1, het enige “gemeenschappelijke” boek, is logischerwijze niets te vinden over bestuurders van vennootschappen (of verenigingen en stichtingen).

Boek 2 bevat wel nog “gemeenschappelijke bepalingen”, maar enkel voor de rechtspersonen geregeld in het WVV. Daar vind je in de titel over bestuur onder meer terug dat bestuurders gehouden zijn tot een behoorlijke vervulling van hun taak, dat ze niet persoonlijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap, en dat zij hun hoedanigheid moeten vermelden wanneer ze namens de vennootschap tekenen (althans als ze niet persoonlijk verbonden willen zijn). Onze studente draait wat vertwijfeld met de stafkaart. Want geldt dit niet evengoed voor de maatschap? En is dit geen eenvoudige toepassing van het lastgevingsrecht? Even verder in de bepalingen over bestuur volgt dan de beruchte cap op bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens welke logica exact is die wél van toepassing op bestuurders van de grootste beursgenoteerde NV en de kleinste VOF, maar niet van de maatschap?

Op naar Boek 4 dan maar, dat de bepalingen over de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap bevat. Onze studente krabt opnieuw even in de haren. Die maatschap, dat lijkt wel de basisvorm van de vennootschap. Waarom ontmoeten we die pas na 252 steeds meer technisch wordende wetsartikels? Gekke minigolf is dit, baan 1 ligt ergens halverwege. Maar goed, nu slaat de vertwijfeling pas echt toe. Plots worden bestuurders wel heel nadrukkelijk lasthebbers genoemd (art. 4:8 WVV), nadrukkelijker zelfs dan in het W. Venn het geval was. En ja, als je de omliggende wetsartikels over bestuur van de maatschap, de VOF en de Comm.V. bekijkt, is dat ook logisch (art. 4:8-4:11 WVV). Bestuurders zijn individueel bevoegd tenzij anders bepaald, ze verbinden de vennootschap binnen hun bevoegdheid, ze zijn ad nutum herroepbaar tenzij anders bepaald, enzovoort. Geen probleem dus met de kwalificatie als lasthebbers. Maar wat is exact het verschil met de algemene regels over bestuur die we eerder in Boek 2 tegenkwamen? Dat zijn toch loten van dezelfde stam? En trouwens, zijn de VOF en de Comm.V. geen rechtspersonen?

Hoe je dit ook draait of keert, neen, de bewegwijzering is niet verbeterd. Boek 4 noemt bestuurders in de maatschap, de VOF en de Comm.V. lasthebbers, en boek 2 wil dat volgens de reparatiewetgever voor de VOF en de Comm.V ontkennen. Boek 2 bevat inzake bestuur enerzijds basisregels die ook voor de maatschap gelden (bv. art. 2:51 WVV), en anderzijds regels waarvan moeilijk uit te leggen valt waarom ze niet voor de maatschap gelden (de aspecten van de bestuurdersaansprakelijkheid die van het gemeen recht afwijken, waaronder de cap). Boek 4 van zijn kant, bevat wel degelijk een aantal gemeenschappelijke principes inzake bestuur, die de maatschap, de VOF en de COmm.V. overstijgen. In beide gevallen, gaat het om loten van dezelfde lastgevingsstam.

Live to die another day

Ten gronde, is de zaak gelukkig niet verloren, zeker wat de lastgeving betreft. Een obiter dictum van een parlementslid in de toelichting bij een wetsvoorstel dat slechts tot “reparatie” strekt, is uiteraard niet bij machte deze diepgewortelde knoestige oude eik om te zagen. Aangezien de onderliggende regels, mechanismen en scharnierpunten van het bestuursmandaat ook in het WVV nog steeds sterk met lastgeving sporen, blijft die sokkel intact. Meer zelfs: de gemeenschappelijke stam is met het WVV enkel breder geworden. De bestuursmodellen in NV en BV zijn meer dan ooit varianten op een thema. Het is dan ook jammer dat we het voor wie de juridische grondslagen en transversale principes van het bestuur zoekt, zo moeilijk hebben willen maken om de weg te vinden.

Jeroen Delvoie


[1] Wet van 28 april 2020 tot omzetting van richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, en houdende diverse bepalingen inzake vennootschappen en verenigingen, BS 6 mei 2020, 30488.

[2] Wetsvoorstel tot omzetting van richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, en houdende vennootschaps- en verenigingsbepalingen (L. DIERICK), Toelichting, Parl. St. Kamer, 2019-2020, 0553/001, 27-28.

[3] J. DELVOIE, Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht,Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2010, (590p.) 187-240 (en met weerlegging van de voornaamste tegenargumenten 241-312).

[4] Ik behandel die in J. DELVOIE, Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht,Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2010, 241-312.

Zie ook https://corporatefinancelab.org/2019/11/20/ongemene-reflecties-over-gemene-bepalingen/ en https://corporatefinancelab.org/2017/01/05/are-common-rules-for-all-corporate-forms-desirable-or-feasible/




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.