Share this post on:



Een disputatio over soorten van aandelen tussen Marieke Wyckaert en Hans De Wulf

Dat één van de doelstellingen van het WVV een verregaande flexibilisering van het vennootschapsrecht was, is welbekend onder vennootschapsjuristen. Een concrete uiting hiervan is dat er sinds het WVV voor de niet-genoteerde BV en NV een quasi-onbegrensde vrijheid bestaat om de stem- en vermogensrechten verbonden aan aandelen te regelen (in een genoteerde BV en NV houdt de wetgever wel sterker vast aan het beginsel van “één aandeel, één stem”, met beperkte uitzonderingen voor onder andere aandelen zonder stemrecht en loyauteitsstemrecht; maar de vermogensrechten kan men ook in genoteerde vennootschappen volledig vrij regelen). 

Zulke flexibiliteit betekent dat soortvorming een belangrijker onderwerp is geworden. Het WVV bevat een (erg brede) definitie van soortvorming: soorten van aandelen zijn aandelen waaraan andere rechten zijn verbonden dan aan andere aandelen uitgegeven door dezelfde vennootschap (Artikel 5:48, 6:46 en 7:60 WVV). Zodra men dus gaat spelen met de stemrechten of vermogensrechten verbonden aan aandelen, zal er soortvorming zijn.

In een bijdrage met Frank Hellemans voor de Themis reeks, waarschuwden we (overigens niet als enigen) reeds voor de gevaren van soortvorming, meer bepaald als het gaat over de wijziging van soortrechten (zie artikel 5:102 en 7:155 WVV). Ten eerste gaat een toegenomen flexibilisering gepaard met een groter belang van algemene normen (zoals het gelijkheidsbeginsel, het vennootschapsbelang, misbruik van meerderheid, …).[1]

Ten tweede heeft het WVV het toepassingsgebied van de bijzondere procedure voor de wijziging van soortrechten sterk uitgebreid, meer bepaald bij de uitgifte van aandelen die niet evenredig binnen elke soort gebeurt. Dit houdt het risico in dat een (beperkte) blokkeringsminderheid binnen één soort zorgt voor een voortdurende betonnering van de rechten verbonden aan de soorten van aandelen, zelfs indien het voor de verdere ontwikkeling van de vennootschap aangewezen is om aanpassingen door te voeren. 

Ten derde concludeerden Frans Hellemans en ik in onze bijdrage dat de wetgeving rond de wijziging van soortrechten op een aantal punten onduidelijk is, bijvoorbeeld over de volgende vragen:

  • Als de uitgifte van aandelen niet volstrekt evenredig met het aantal aandelen uitgegeven binnen elke soort gebeurt, maar dit te wijten is aan de afronding van fracties van aandelen, leidt dit dan tot toepassing van de procedure voor wijziging van soortrechten?
  • Als de uitgifte van nieuwe aandelen volstrekt evenredig met het aantal aandelen uitgegeven binnen elke soort gebeurt, maar dit geen impact heeft op de soortrechten (stel bijvoorbeeld dat het soortrecht een voordrachtrecht voor bestuurders is dat ook na de uitgifte blijft bestaan), leidt dit dan tot toepassing van de procedure voor wijziging van soortrechten?
  • Kunnen de aandeelhouders met unanimiteit afwijken van de noodzaak om een verslag van de commissaris, bedrijfsrevisor of externe accountant, zonder dat de wetgeving deze mogelijkheid bevat (de memorie van toelichting suggereert van wel)?
  • Moet de verslaggevingsplicht worden nageleefd als er een nieuwe soort van aandelen wordt uitgegeven, maar er voor de uitgifte slechts één soort bestond?
  • Mag de meerderheid vereist voor de wijziging van soortrechten worden verstrengd in de statuten? 
  • Vereist de splitsing van een bestaande soort aandelen in twee verschillende soorten aandelen steeds de unanimiteit tussen aandeelhouders?

Deze laatste vraag is de focus van de tweede sessie van de studiedag van 1 juni ter ere van 5 jaar Corporate Finance Lab, die plaats vindt volgens het format van de “disputatio”. Marieke Wyckaert (KU Leuven) zal tijdens de disputatio de stelling verdedigen: “een splitsing van een soort aandelen vereist altijd unanimiteit”. Hans De Wulf (UGent) zal tegen deze stelling argumenteren. Ikzelf zal optreden als voorzitter (‘praeses’).

Dit is geen louter theoretische discussie over het geslacht der engelen. Het is zeer goed denkbaar dat een vennootschap met één soort van aandelen bijvoorbeeld bijkomende stemrechten wil toekennen aan bepaalde aandelen (zonder de uitgifte van nieuwe aandelen), zodat deze aandeelhouders (bijvoorbeeld de oprichters) hun controle over de vennootschap kunnen behouden, zelfs als er bijkomende aandelen worden uitgegeven. Een ander voorbeeld: een vennootschap wil bepaalde aandelen een voordrachtrecht geven, wat volgens de heersende rechtsleer ook zou leiden tot soortvorming. Kan men deze beslissingen doorvoeren met de meerderheid voor statutenwijziging, of is unanimiteit tussen de aandeelhouders vereist? 

Bijzonder aan deze disputatio is dat de twee opponenten beiden lid waren van de werkgroep van experten die het WVV heeft voorbereid. Klaarblijkelijk zijn zij het niet eens over de interpretatie van de wettekst die het resultaat is van hun werkzaamheden. In het boek “Het WVV doorgelicht” (met de opponenten als editors) schreven zij een gezamenlijke bijdrage over “effecten bij BV, NV en CV”, maar in deze bijdrage namen zij over de vraag die het voorwerp is van de disputatio openlijk tegengestelde standpunten in. 

Als praeses van de disputatio stel ik mij als doel dat het debat meer helderheid zal bieden in wat de meest verdedigbare interpretatie is van de huidige wetgeving. Daarnaast hoop ik de opponenten ook te verleiden om aan te geven welke aanpassingen ze zouden doen aan de wettekst als zij (opnieuw) op de stoel van de wetgever zouden mogen gaan zitten. De onzekerheid die er heerst over verschillende openstaande punten met betrekking tot de procedure voor de wijziging van soortrechten toont immers aan dat een wetgevend ingrijpen inderdaad gerechtvaardigd lijkt. Hoe dat wetgevend ingrijpen er precies moet uitzien, wordt hopelijk duidelijker op 1 juni. 

De studiedag ter ere van vijf jaar Corporate Finance Lab vindt plaats op woensdag 1 juni 2022 te Leuven van 13u35 tot 17u45. De thema’s die aan bod komen zijn de deficitaire vereffening, soorten van aandelen en de gerechtelijke reorganisatie. De inschrijvingsprijs is 75 EUR en omvat een koffiepauze en receptie. Erkenning bij OVB en IBJ voor 4 punten. Erkenning door IGO in aanvraag. Deelname kan fysiek of via livestream. Inschrijven kan hier.

Tom Vos


[1] Zie hierover: M. WYCKAERT, “De goede trouw in het vennootschapsrecht, actueler dan ooit”, TRV-RPS 2019, 253-254.

Author: Tom Vos

Tom Vos is a visiting professor at the Jean-Pierre Blumberg Chair of the University of Antwerp, where he conducts research and teaching in the field of corporate governance. He is also affiliated as voluntary scientific collaborator with the Jan Ronse Institute (KU Leuven). His current research interest is short-termism in corporate governance.
View all posts by Tom Vos




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *