Share this post on:



‘De rechtenfaculteit was een weldadige mix van uiterst progressieve docenten en traditionalisten.’

Ter inspiratie voor onze zomerlectuur vroeg Corporate Finance Lab enkele BJ’s (bekende juristen) en vrienden van het Lab: (1) Welke boeken hebben u als jurist het meest gevormd ? en (2) Welke boeken neemt u straks mee op vakantie of beveelt u aan? Vandaag: Steef M. Bartman, advocaat, emeritus-hoogleraar ondernemingsrecht Universiteit Leiden en honorair hoogleraar corporate group liability aan de Universiteit Maastricht.

De redactie van CFL heeft mij gevraagd naar 1) boeken die mij als jurist hebben gevormd en 2) de boeken die ik deze zomer meeneem op vakantie. Het eerste verzoek vergt een terugblik op mijn juridisch relevante bestaan tot nu toe, het tweede een vooruitblik op een nabije – overigens zeer beperkte – periode. Geen geringe opgave!

Laat ik beginnen bij het begin, mijn studie aan de Universiteit van Amsterdam begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Een roerige tijd van studentenopstand, kollektieve aktie! (aldus ook gespeld) en bezetting van de aula van de universiteit, het Maagdenhuis. De rechtenfaculteit was een weldadige mix van uiterst progressieve docenten en traditionalisten.

Tot die laatsten behoorde zeker professor A. Pitlo, hoogleraar privaatrecht en notariaat. Zo conservatief als de man zich voordeed (altijd in driedelig pak, grootvaders horloge in de binnenzak, embonpoint en een ouderwetse, wat slepende dictie), zo dynamisch was echter zijn voordracht en rechtsopvatting. Tijdens Pitlo’s college was het altijd muisstil. Ik heb hem zich nooit horen uitspreken tegen de anti-autoritaire studentenbeweging van die tijd. Zijn boek Evolutie in het privaatrecht (H.D. Tjeenk Willink Groningen, 1972, 2e dr.) stond vol van begeesterde uitdrukkingen als “het recht vermaatschappelijkt.” Hij voorzag “het verleggen van het accent van het privébelang naar gemeenschapsbelang” en juichte “de instroming van de ethiek in het recht” ruimhartig toe. Over het ideaal van de individuele vrijheid van de Franse revolutie schreef hij: “Rechtskundige vrijheid bij economische ongelijkheid betekent evenwel binnen korte tijd kneveling van de economisch zwakkere. Bijna geen mens is opgewassen tegen zijn eigen macht.” Was dat misschien toch Pitlo’s ietwat verholen reactie op de revolutionaire geest van die tijd? Ik grijp nog dikwijls naar dit oude meesterwerk. Zo ook natuurlijk naar het Algemeen Deel uit de Asser-serie van Paul Scholten. Maar dat boek zit Nederlandse privatisten nu eenmaal in de genen, ook zonder dat zij het gelezen hebben.

Een ander werk dat mij tijdens mijn studie zeker gevormd heeft, is geen juridisch maar een economisch boek, althans een gedeelte daaruit. Het betrof de bijdrage van prof. P(ieter) Hennipman, getiteld Doeleinden en criteria der economische politiek, in de bundel Theorie van de economische politiek (Stenfert Kroese, Leiden 1962). Hennipman was hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam en de promotor van professor Arnold Heertje, jarenlang hoogleraar economie aan de Rechtenfaculteit aldaar. Beide hoogleraren droegen met verve de zogeheten “welvaartstheorie” uit, waarin het formele en subjectieve welvaartsbegrip centraal staat. Formeel, omdat de wetenschap niet kan voorschrijven welke behoeftebevrediging een maximale welvaart genereert. Subjectief, omdat welvaart uiteindelijk de resultante is van ieders subjectieve prioriteitsstelling bij de omgang met schaarse middelen. Het drooghouden van de Hedwigespolder ten behoeve van de landbouw is vanuit dat opzicht net zo “economisch” als het inunderen ervan ten behoeve van natuurbehoud. Het is ook niet zo dat inkomensgroei en winstmaximalisatie vanuit economisch oogpunt per sé goede zaken zijn. Ik citeer Hennipman: “Het gedrag van een ondernemer, dat mede door andere drijfveren dan het winststreven is bepaald, is aldus bezien niet minder bevorderlijk voor zijn welvaart dan dat, hetwelk uitsluitend een zo groot mogelijke winst tot oogmerk heeft.” Ofwel, maatschappelijk verantwoord ondernemen staat niet tegenover gezond bedrijfseconomisch ondernemerschap, maar combineert daar uitstekend mee, mits het doel maar op efficiënte wijze wordt nagestreefd. Ik heb dat altijd een verhelderend inzicht gevonden. Het maakt dat mensen worden geconfronteerd met hun eigen politieke keuzen gegeven de schaarste der middelen. Zij kunnen zich niet verschuilen achter de (economische) wetenschap. De homo economicus is door sommigen ook volstrekt ten onrechte doodverklaard. Het is nog steeds een zeer bruikbare basishypothese voor de analyse van menselijk gedrag, ook in de rechtswetenschap, mits men maar inziet dat andere drijfveren dan het behalen van materieel voordeel niet minder waardevol of realistisch zijn.

En dan de vraag naar welke boeken ik meeneem op vakantie. Ik stel mij daarbij allereerst een theoretische, eindeloze vakantie voor, waarbij ik ook de tijd vind om boeken te herlezen die mij in het verleden hebben gegrepen. Met stip op één staat dan Alle mensen zijn sterfelijk, van Simone de Beauvoir (Agathon, 1983, 14e dr.). Ofschoon dit inderdaad de letterlijke Nederlandse vertaling is van de oorspronkelijke, Franse titel (Tous les hommes sont mortels) geeft ik de voorkeur aan de vertaling daarvan uit 1973: Niemand is onsterfelijk. Die laatste titel benadrukt immers beter de filosofische vraag die de schrijfster in dit boek stelt: wat gebeurt er met een mens als hij onsterfelijk wordt? Is dat het ultieme geluk, of het ultieme drama? Het laatste natuurlijk. Maar voordat dit inzicht doorbreekt, voert de onsterfelijke hoofdpersoon (Fosca) ons via de strijd tussen de Italiaanse renaissance-steden in de 13e eeuw, de 16e eeuw van Karel V naar de Amerikaanse pionierstijd tot het heden. Waarna hij ten slotte verdwijnt als een gedoemde in de mist van de eindeloze toekomst. Niets dat hem nog raakt, elke menselijke passie is voorgoed gedoofd, elk idealisme hem vreemd. Al zijn strijdmakkers, geliefden en vrienden zijn al lang geleden overleden. Existentiële eenzaamheid is zijn lot. Wie zijn hart zoekt (zoals de actrice Regina), naast en met hem, leeft slechts een split second en betekent dus niets voor hem. Het leven zonder eind is een gruwel. Je leeft alleen werkelijk als je de mogelijkheid hebt te sterven. Het boek is daarmee, naast uiteraard De Pest van Camus, een parel in de existentialistische literatuur.

Het is dat ik het boek nog maar onlangs gelezen heb, maar anders zou ik het zeker meenemen met vakantie: Natascha Wodin, Ze kwam uit Marioepol, Altlas Contact, 2019. De schrijfster volgt hierin de sporen terug van haar moeder, die nauwelijks 30 jaren oud zelfmoord pleegt in het naoorlogse Duitsland, waar moeder en dochter leven in een opvangkamp voor voormalige Oost-Europese dwangarbeiders. Het boek beschrijft nauwkeurig de Werdegang van de aristocratische familie van de moeder in Marioepol in de chaos na de Russische revolutie, gevolgd door het beleg van de stad en de gedwongen dwangarbeid in Duitsland onder de nazi’s. De oorlog eenmaal afgelopen kon zij niet terug naar Rusland omdat Stalin dwangarbeiders als landverraders beschouwde en hen linea recta naar het verre Siberië stuurde, of erger. Een buitengewoon indrukwekkend relaas, zeker tegen de achtergrond van de rampspoed die Marioepol in de huidige oorlog in Oekraïne heeft getroffen en nog steeds moet doorstaan. Verder ben ik een verslinder van historische boeken (recent o.a. Luc Panhuysen, Het Monsterschip, Dick Harrisson, De Dertigjarige Oorlog, Hilary Mantel, De Spiegel & het licht), maar ook de historische romans van Ken Follet kan ik waarderen. Boeken die mij terugvoeren tot het dagelijks getob van eeuwen heen boeien mij sowieso. In die categorie kan ik zeker ook aanbevelen: 24 uur in het oude Athene en 24 uur in het oude Rome, beide boeken geschreven door Philip Matysak en uitgegeven door HL Books. De formule is steeds dat gedurende één uur van een etmaal een andere inwoner van de stad wordt gevolgd in zijn dagelijkse bezigheden en zorgen. Dat kunnen die van een gladiator zijn, maar ook die van een prostitué of soldaat, geconstrueerd maar op basis van historische gegevens. Met het laatste deel in deze serie, 24 uur in het oude Egypte, door Donald P. Ryan, ben ik zojuist begonnen, dus ik houd voorlopig vakantie in Egypte!

Ten slotte ben ik een groot liefhebber van stripverhalen. De laatste jaren verschijnen er prachtige integrale uitgaven van de helden uit mijn jeugd, te lezen in weekbladen als Sjors, PEP, Robbedoes en Kuifje (ofschoon dit laatste blad bij mijn weten alleen in België en Frankijk verscheen), met veel informatie over de achtergrond en totstandkoming van de betreffende strip. Te noemen zijn natuurlijk Kuifje, de onverslaanbare Blake & Mortimer, De Rode Ridder en Suske & Wiske. De in de Ardennen geboren en getogen Raymond Macherot heeft mijn hart gestolen met zijn creaties van de veldmuis Chlorophyl en zijn eeuwige tegenstander, de misdadige zwarte rat Anthraciet. Ook de hilarische Engelse detective kolonel Clifton is zijn geesteskind. Maar mijn grootste bewondering gaat toch uit naar scenarioschrijver Jean-Michel Charlier, de geestelijke vader achter prachtstrips als Uit de verhalentrommel van oom Wim, Tangy & Laverdure, Roodbaard, Blueberry en Buck Danny. Charlier was korte tijd advocaat, maar zag al gauw zijn ware roeping, het schrijven en bedenken van stripverhalen. De historische rijkdom, variatie en feitelijke diepgang van zijn scenario’s is ongekend. Kan die man geen standbeeld krijgen?

Steef M. Bartman




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.