Share this post on:



Achteraf bekeken was het een uitermate lichtzinnige beslissing te kiezen voor de rechtenstudie louter gebaseerd op een humoristische beschrijving van de Nederlandse rechtenstudies in de eerste helft van de 20ste eeuw

Ter inspiratie voor onze zomerlectuur vroeg Corporate Finance Lab enkele BJ’s (bekende juristen) en vrienden van het Lab: (1) Welke boeken hebben u als jurist het meest gevormd ? en (2) Welke boeken neemt u straks mee op vakantie of beveelt u aan? Vandaag in de voorlaatste aflevering: Robbie Tas, professor aan de master Vennootschapsrecht (KU Leuven), advocaat en voorzitter van VRG Alumni.

Op de vraag welk boek mij als jurist het meest gevormd heeft (die vraag gaat er impliciet van uit dat ik reeds gevormd ben, terwijl die vorming natuurlijk nog volop bezig is en hopelijk nog maar in zijn beginstadium zit), geef ik een gelijkaardig antwoord als Eric Dirix, die deze zomerrubriek prachtig aftrapte: niet één specifiek boek, al zeker niet een non-fictieboek, maar de verzameling van alle boeken die ik ooit heb gelezen, kortom de literatuur als zodanig. Een zekere belezenheid is volgens mij voor een jurist om twee redenen belangrijk: (i) lezen draagt bij tot het ontwikkelen van het zo noodzakelijke taalgevoel (ik trap een open deur open is als ik zeg dat accuraat en genuanceerd kunnen formuleren key is voor een jurist) en (ii) de literatuur (en het bijzonder “fictie”) is niet alleen een aangename en effectieve manier om de eigen horizon te verbreden en kennis te maken met vele facetten van de wereld en het emotioneel palet van zijn bewoners, maar scherpt zeker bij geëngageerde literatuur ook het rechtvaardigheidsgevoel en moreel kompas aan en laat toe ook andere perspectieven dan het eigen te zien, m.i. de allerbelangrijkste kwaliteit die een jurist moet bezitten.

Tot aan mijn puberteit verslond ik boeken aan een tempo van minstens 100 bladzijden per dag (tijdens vakanties vaak een veelvoud). Toen ik 12-13 jaar was, had ik de volledige jeugdboekencatalogus van de lokale bibliotheek uitgelezen. De overgang naar de volwassen literatuur verliep aan een iets trager tempo, onder meer omdat andere interesses op het voorplan kwamen. Ik wil in het bijzonder de reeks Vlaamse Filmpjes van uitgeverij Altiora (Averbode) vermelden, waarvan ik er via een abonnement elke vrijdagnamiddag op de lagere school eentje meekreeg, en dat meestal vrijdagavond was uitgelezen. Het waren korte verhalen van diverse aard, afwisselend tussen gewoon onderhoudende lectuur (maar van niveau: b.v. de reeks spannende politieromans van Jos Verhoogen met als hoofdfiguur commissaris Balthazar Witdoeck, alias “de Buldog”, maar met een decor dat je toch wat de wereld liet ontdekken) en meer geëngageerde verhalen.

Het procédé komt me achteraf bekeken wat paternalistisch over, maar ik ben blij dat die Vlaamse Filmpjes er waren, want ze hebben een enorme bijdrage geleverd tot mijn algemene vorming, en het gebeurt nog vaak dat wanneer het gaat over een bepaald land, bevolkingsgroep of maatschappelijk fenomeen enz., ik dat spontaan ophang aan het Vlaams Filmpje dat ik er destijds over heb gelezen. Ik stelde trouwens tot mijn verbazing vast dat ze nog steeds bestaan, zij het in een licht andere vorm, het spijt me zeer dat mijn kinderen hier nooit mee in aanraking zijn gekomen. Ook de vorming door stripboeken mag ik niet onvermeld laten. Vooral een reeks als Kuifje (waarvan ik alle albums talloze keren heb herlezen) opende (letterlijk) een nieuwe wereld. De interesse in de Romeinse tijd werd dan weer aangewakkerd door de magistrale reeks Asterix, met zijn zeer fijne humor en vele (drie)dubbele bodems.

Er is wel een boek dat een cruciale rol gespeeld heeft in mijn keuze voor de rechtenstudie: De Memories of gedenkschriften van minister Pieter Bas (kortweg Pieter Bas – in deze reeks ook al aanbevolen door Herman Cousy) van één van mijn favoriete auteurs, de taalvirtuoos Godfried Bomans (wel eens omschreven als de meest gelezen maar minst gelauwerde Nederlandse schrijver). Het boek (uit 1936) is een fictieve biografie van Minister Pieter Bas en is deels autobiografisch, want Godfried Bomans werd in datzelfde jaar kandidaat in de rechten – verder zou hij niet geraken – en zijn vader was advocaat en lid van de Tweede Kamer. Ik studeerde aanvankelijk toegepaste wetenschappen en las het boek als ontspanning tijdens de examens van de tweede kandidatuur. Pieter Bas had als minister uiteraard rechten gestudeerd, en het hoofdstuk waarin het verloop van zijn studies en in het bijzonder zijn kandidaatsexamen werd beschreven (met de typische Bomanshumor), sloeg bij mij in als een bliksemschicht. Ik had voordien nooit overwogen om rechten te studeren en wist er nauwelijks iets over (behalve het cliché dat je dan veel wetten van buiten moest leren), maar door dit boek besefte ik plots dat je ook een universitair diploma kon halen met een studie die veel dichter bij het echte leven stond dan de saaie differentiaalvergelijkingen die ik op dat moment aan het doorworstelen was. Vooral de frivole beschrijving van de casus uit het Romeinse recht die Pieter Bas moest oplossen voor zijn kandidaatsexamen, enthousiasmeerde me zodanig dat ik in een “coup de foudre” besliste om alsnog voor de rechtenopleiding te kiezen. Dat was achteraf bekeken een uitermate lichtzinnige beslissing (overigens louter gebaseerd op een humoristische beschrijving van de Nederlandse rechtenstudies in de eerste helft van de 20ste eeuw), maar die ik me nog geen moment beklaagd heb.

Zeer herkenbaar in het boek (voor mij en voor wellicht vele medestudenten tijdens de examenperiode) was de gedachte die bij Pieter Bas opkwam toen hij op weg was naar zijn examen: “Bij Wijnand Fockink op de Hooigracht waren drie mannen bezig een vat naar boven te hijsen. Het scheen mij plotseling toe alsof er niets heerlijkers bestond op aarde dan in dienst van Wijnand Fockink vaten naar boven te hijsen.

En hij geeft ook nog wat goed advies aan de beginnende advocaat, via de conversatie tussen Pieter Bas en de bevriende “rechter Stamper”, die zich ontpopt tot zijn persoonlijke adviseur, over zijn eerste pro deo-zaak:

’Mag een advocaat’, zo besloot ik, ‘een cliënt verdedigen van wiens ongelijk hij zelf overtuigd is ?’

‘Wij, juristen, hebben een eigenaardig beroep, meneer Bas. Stel, er is een zaak aan de orde. De eene partij zegt dit, de andere beweert het tegendeel. Goed. Welk van de twee partijen heeft gelijk? Wij blijven daar nu even buiten. Maar een ding weten wij: één van de partijen heeft gelijk. Is deze conclusie correct?’

‘Jawel Edelachtbare.’

‘Goed. Wat volgt hieruit? Wat is de noodzakelijke gevolgtrekking die wij maken? Deze: dat de andere partij ongelijk heeft. Heb ik een fout gemaakt, meneer Bas?’

‘N-neen, Edelachtbare.’

‘Goed. Eén van de twee advocaten weet dus altijd: mijn partij heeft ongelijk. Wat is nu het geval? U bent die advocaat. En wat besluit U hieruit? Dat U de zaak neer moet leggen. Maar meneer Bas! Stel U voor dat alle juristen zoo deden! Dan werd er niet meer geprocedeerd! Na twee jaar zou men een dagvaarding slechts in een museum kunnen bezichtigen. En onze arme advocaten-stand, meneer Bas! Wat moet er van onze jongens terecht komen! Wilt u ze met veters langs de huizen sturen? Hm? Neen, neen, mijn waarde, U moet die zaak doorzetten’.

* * *

Mijn leestips dan voor de vakantie. Een tijdje geleden ontdekte ik dat veel juristen voornamelijk non-fictie lezen (al blijkt alvast uit deze zomerreeks dat de waarde van romans toch ook wordt gekoesterd). Zelf “ontdekte” ik dat genre pas een tiental jaren geleden. Ik lees nog altijd het liefst fictie. Spannende thrillers zoals alles van het echtpaar Nicci French of de avonturen van Lisbeth Salander in de befaamde Milleniumtrilogie van Stieg Larson, heb ik tijdens vakanties verslonden met de snelheid van mijn jeugdjaren, net als de licht gestoorde boeken van Herman Koch (Het diner, Zomerhuis met zwembad, Geachte heer M. …). Ook aan De honderdjarige die uit raam klom en verdween van Jonas Jonasson (een soort Scandinavische literaire versie van Forrest Gump) heb ik veel plezier beleefd. Maar het meeste indruk maakten de boeken van Khaled Hosseini (De vliegeraar, Duizend schitterende zonnen en En uit de bergen kwam de echo, romans die zich afspelen in de harde Afghaanse context, waarbij de tranen af en toe vanzelf opborrelden, zo leef je mee met het leed van de personages. 

Maar ondertussen leerde ik dus toch ook het genre non-fictie kennen. Absolute “must-reads” van de voorbije jaren: Sapiens van Yuval Noah Harari, Feitenkennis (Factfulness) van de Zweedse arts Hans Rösling (die aan de hand van hard cijfermateriaal heel wat (vooral negatieve) clichés over onze wereld weerlegt, en vooral aantoont dat onze kennis die we denken te hebben over een veranderende wereld, snel gedateerd is, en vaak tot verkeerde beslissingen leidt), de zeer boeiende en onderhoudend geschreven boeken van Geert Mak over de toestand in Europa (Grote verwachtingen, vervolg op In Europa) en de V.S. (Reizen zonder John). Ook De meeste mensen deugen van Rutger Bregman las ik vorig jaar met zeer veel plezier. Ik had het cadeau gekregen en begon eraan met het idee dat ik wel ongeveer wist wat te verwachten, maar ik was verrast hoe vele psychologische experimenten die in ons collectieve geheugen zijn blijven hangen (en vaak de slechte kanten van de mens beklemtonen) achteraf weerlegd of ontmaskerd werden, zonder dat we daar iets over vernamen. Een buitenbeentje is de biografie van Elton John, het soort boek dat ik normaliter nooit zou lezen, maar dit vormt een uitzondering, want het is bijzonder grappig en vooral zelfrelativerend geschreven (in de ik-vorm, maar weliswaar door een ghostwriter, naar ik aanneem). En als fan van de muziek van Elton John was ik vooral onder de indruk van het feit hoe hij met werkelijk alle (muzikale) groten der aarde nauw bevriend was/is (van John Lennon en Paul McCartney over Mick Jagger en Keith Richards, Rod Stewart, Freddy Mercury, George Michael, Michael Jackson, Aretha Franklin, Ray Charles en zovele anderen…) en de vele vaak hilarische anekdotes die hij over hen opdist. Ik zag nadien ook de film (Rocketman), die zoals gebruikelijk ontgoochelde want na het boek veel te oppervlakkig was.

Deze zomer stond in het teken van het herlezen: in mijn bagage stak Kaas van Willem Elschot (nog altijd een pareltje, en onverkort populair als schoolliteratuur, zij het vermoedelijk omdat het zo kort is, ik las het dan ook al uit tijdens de heenvlucht naar Sicilië), een bundel met stukjes van Godfried Bomans, de recentste uitgave van The Anatomy of Coporate Law (Kraakman, Armour e.a.), een basiswerk over economic analysis of law (kwestie van toch iets in de professionele sfeer mee te nemen) en Fooled by randomness (The Hidden Role of Chance in Life and in the Markets) van de Libanees-Amerikaanse auteur Nassim Nicolas Taleb. Het is het eerste van een reeks filosofische boeken over de rol van toeval, causaliteit, kansberekening, praktische statistiek en kennis/wetenschap, met vooral voorbeelden geput uit zijn ervaringen als trader op de beurs.

Ik kreeg het tweede en bekendste boek in de reeks, The Black Swan: The Impact of the Highly Improbable, een aantal jaren geleden van een cliënt, en het blies mij figuurlijk van mijn paard. Als ik aan juristen één boek absoluut mag aanraden, is het wel dit (ik heb mijn eigen exemplaar uitgeleend en weet helaas niet meer aan wie). Misschien klinkt het onderwerp op het eerste gezicht niet zo aantrekkelijk, maar de boeken zijn uitermate onderhoudend en grappig geschreven. Een kleine illustratie: “Nero could best be described as someone who randomly (and abruptly) swings between the deportment and speech manners of a church historian and the verbally abusive intensity of a Chicago pit trader. He can commit hundreds of millions of dollars in a transaction without a blink or a shadow of a second thought, yet agonize between two appetizers on the menu, changing his mind back and forth and wearing out the most patient of waiters. (…) John was a high-yield trader, but he was not the trader in the style of Nero. A brief professional conversation with him would have revealed that he presented the intellectual depth and sharpness of mind of an aerobics instructor (though not the physique)”. En ze hebben een enorme praktische relevantie, omdat ze aan de hand van zeer concrete en herkenbare voorbeelden het belang van een goed begrip van statistiek (in ruime zin) en de aangeboren fouten in ons denken op het dagelijks leven illustreren. Slechts één bescheiden voorbeeld dat hij beschrijft: de problematiek van de “cancer clusters”. Stel (vereenvoudigd) dat een land met 10 miljoen inwoners 1 miljoen straten telt met telkens 10 inwoners, en dat gemiddeld 1/10 van de mensen in zijn of haar leven ooit getroffen wordt door kanker. Gemiddeld verwacht je dus per straat 1 persoon met kanker. Maar als die willekeurig verdeeld zijn, zullen er louter door het effect van de Gauss-verdeling straten zijn met 0, 1, 2… tot zelfs 10 gevallen. Wie in een straat woont waar iedereen (of zelfs maar de helft van de mensen) kanker krijgt, terwijl het gemiddelde maar 1/10 is, zal bijna onvermijdelijk besluiten dat dit geen toeval meer kan zijn, en dat er ongetwijfeld een onderliggende oorzaak (b.v. milieuvervuiling, nefaste straling van een GSM-mast…) moet zijn. Terwijl de realiteit dus gewoon is dat door louter toeval een aantal straten veel zwaarder getroffen zijn (dat sluit natuurlijk niet uit dat er wel degelijk een externe oorzaak kan zijn, maar het tegendeel is dus evenzeer mogelijk).

Ik sluit mij dan ook graag aan bij wat Joeri Vananroye eerder schreef in deze reeks: een vak dat absoluut aan de rechtenopleiding (en overigens aan elke opleiding) zou moeten worden toegevoegd, is toegepaste statistiek. In wezen gaat het om niet meer dan het correct interpreteren van en omgaan met data, een juist begrip van causaliteit en het onderkennen van de klassieke logische denkfouten die we geneigd zijn te maken. Dat is voor iedere jurist (maar bij uitbreiding natuurlijk voor ieder mens) levensnoodzakelijk (maar niet evident).

Robbie Tas




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.