Share this post on:



Literatuur is voor juristen een schier levensnoodzakelijke bron van lering en vorming’

Ter inspiratie voor onze zomerlectuur vroeg Corporate Finance Lab enkele BJ’s (bekende juristen) en vrienden van het Lab: (1) Welke boeken hebben u als jurist het meest gevormd ? en (2) Welke boeken neemt u straks mee op vakantie of beveelt u aan? Vandaag: Herman Cousy, emeritus gewoon hoogleraar handels- en verzekeringsrecht aan de KU Leuven en lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België.

Voor de bijzondere, want inderdaad de vijfhonderdste uitzending van het bekende TV5 programma “La Grande Librairie”, maar tegelijk zoals de toeschouwer in de loop van de uitzending zou vernemen, de laatste uitzending die François Busnel zelf zou leiden en presenteren, had deze laatste en aantal auteurs uitgenodigd en hen de vraag voorgelegd welk boek of werk hen had gemaakt tot wat zij zijn, niet of niet noodzakelijk als auteur, maar als mens, als persoon. De meeste van de genodigden verklaarden dat het antwoord moeilijk was en zij de vraag enkel konden beantwoorden mits te verwijzen naar vele, misschien zelfs tientallen boeken of auteurs. Enkelen verwezen naar werken die misschien niet zozeer tot hun eigen vorming hadden bijgedragen maar die zij beschouwden als meesterwerken van de Franse literatuur. Anderen verwezen naar het gehele oeuvre van een auteur eerder dan naar een welbepaald boek. Een enkele verwees naar het geheel van zijn eigen oeuvre waarvan de genese, zo stelde hij, hem geleidelijk had gevormd en geboetseerd.

Bij mijn nadenken over een antwoord op de vraag welke boeken mij als jurist het meest hebben gevormd ervaar ik een aarzeling die gelijkaardig moet zijn aan die van de auteurs van La Grande Librairie. Men kan ook begrip opbrengen voor de reactie van Bob Wessels die in zijn eerdere bijdrage voor deze blog schreef dat voor hem niet de boeken maar de praktijk van elke dag de meest vormende is geweest.

Toch komen mij de namen voor de geest van enkele auteurs die voor mij mijlpalen of wegwijzers zijn geweest bij mijn inspanningen om jurist te worden. Ook hier is de selectie delicaat, maar voor mij is er daarbij één werk dat er boven uitsteekt, en dat is het (eerste) Algemeen Deel [intranet KU Leuven] van Professor Walter van Gerven (dit is het Algemeen Deel in de zgn. groene reeks Beginselen van het Belgisch Privaatrecht van Van Gerven en Dillemans). Pas op: in deze verwijzing refereer ik niet, of niet zozeer, naar het boek zelf, maar wel naar de lessen die van Gerven daarover gaf in periode waarin hij dit boek aan het schrijven was. Een woord uitleg, want ik verwijs naar een lang vervlogen tijd, een tijd waarin voor aankomende studenten in de rechten geen afzonderlijke kandidaturen in de rechten bestonden , maar enkel “kandidaturen in de wijsbegeerte en letteren, voorbereidend op de rechten”, overigens een verrijkende vorm van opleiding waarin bijvoorbeeld ook een door de studenten geapprecieerd vak “Inleiding tot de Europese letterkunde” werd gedoceerd (Albert Westerlinck), en tijd ook waarin de studenten pas in hun derde jaar van hun studie (toen het eerste doctoraat, jawel !) voor het eerst werden geconfronteerd met de eigenlijke rechtswetenschap. Zoals mijn jaargenoten genoot ik in dat academiejaar 1966-1967 het voorrecht de inleiding tot het rechtsdenken te krijgen van W. van Gerven. Ik denk dat dit alles een stempel heeft gedrukt op ons aller vorming als jurist.

Nogmaals opgepast: hiermee heb ik niet willen zeggen dat aankomende juristen het geciteerde boek van W. van Gerven moeten lezen; daarvoor is een beter boek beschikbaar , namelijk het (tweede) Algemeen Deel [intranet KU Leuven] dat door Van Gerven recenter werd geschreven (met medewerking van S. Lierman), en dat mijns inziens op meesterlijke wijze een  kijk bezorgt op het gecompliceerde, meergelaagde en op vele punten  vernieuwde moderne recht.

Maar jurist wordt men niet in één ruk en nog minder met het lezen van één boek. Het is een leerproces, een Bildung waaraan voortdurend moet getimmerd worden. Hier verschijnt de literatuur, en nog wel de literatuur in de zin van de fictionele literatuur, ten tonele.

Een gewichtig aspect van de vorming van een jurist (en stellig niet alleen de academische jurist) is dat hij moet kunnen (of leren) schrijven. Ik heb het hier niet over het schrijven van juridische verhandelingen: daarover bestaan nu goede handleidingen, terloops gezegd zelfs van de hand van de grote namen van de literatuur, zoals Umberto Eco (How to write a thesis, 1978; Come si fa una tesi de laurea, 1977 – zie daarover een artikel in The New Yorker van 2015: ‘A Guide to Thesis Writing That Is a Guide to Life‘).  Mijn punt is wel dat het lezen van literatuur lerend en inspirerend kan zijn en mijn eigen ervaring leerde mij dat het lezen van goede teksten kan helpen bij het schrijven van teksten, ook juridische.

Zo heb ik, bij het schrijven van mijn proefschrift, in het bijzonder bij confrontatie met een occasionele writer’s block, ondervonden dat lectuur kan helpen, in mijn geval door het lezen van de thans uit het blikveld verdwenen Britse auteur William Sommerset Maugham (The summing up; A writers notebook).

Maar er is zoveel meer want literatuur is voor juristen ook in vele andere opzichten een schier levensnoodzakelijke bron van lering en vorming. De believers geloven dat juristen inderdaad kunnen leren van literatuur, dat zij inzicht verwerven in de “condition humaine” en betere juristen kunnen worden door hun confrontatie met de letteren. Deze gedachte werd sterk benadrukt door schrijvers van de “Law and Literature”-beweging. François Ost heeft ergens geschreven dat de literatuur kan leiden tot de kern van “la fabrique du droit”. En niemand heeft met meer verve verdedigd hoezeer het lezen van literatuur belangrijk is voor juristen dan de Rotterdamse professor Jeanne Gakeer, die met name benadrukte hoe het lezen van literatuur bijdraagt tot het empathisch vermogen (zo belangrijk voor rechters en magistraten).

De vraag rijst natuurlijk: welke boeken lezen. Onze betreurde Nederlandse collega Hans Nieuwenhuys had voor zijn studenten een “saai lijstje van spannende boeken” voorbereid (met onder andere namen als Aeschylos en Sophocles, Dante, Nietzsche, de bijbel en het Nibelungenlied). Ik deel de hieruit blijkende voorkeur voor klassiekers, maar ik zelf zou het toch niet aandurven een lijstje met leesopdrachten aan juristen voor te schrijven (ik kom daar nog even op terug, hieronder). Maar ik wil niet geheimzinnig doen en open kaart spelen over enkele van mijn eigen favorites. Ik wil geenszins beweren dat zij in het bijzonder voor juristen aangewezen lectuur zouden zijn, maar het oeuvre van al deze auteurs (ik heb geprobeerd om zoveel mogelijk van hun boeken te lezen) heeft mij aangesproken en wellicht gevormd, sommigen daarvan vooral omdat zij zo diep boren in de meanders van de menselijke ziel. Daartoe horen W. Sommerset Maugham, C.P. Snow, Jean d’Ormesson, Thomas Mann, Stefan Zweig, Elias Canetti, Simenon, maar ook Felix Timmermans en Godfried Bomans (vooral zijn Pieter Bas). P.G. Woodehouse en David Lodge behoren daar ook toe maar misschien eerder in de categorie van mijn guilty pleasures.

Tot slot van deze beschouwingen (het zijn losse beschouwingen geworden rondom de boven gestelde vraag) toch nog één suggestie in verband met de keuze van wat een jurist zou moeten lezen. Zoals gezegd zou ik zelf niet durven daarover veel of klemmende raadgevingen te verstrekken. Maar ik geloof wel in de waarde van “coaching”, ook in dit verband. In onze complexe en snel evoluerende samenleving hebben jonge mensen, waaronder aankomende juristen, nood aan goede raad en begeleiding bij het maken van keuzes: de keuze van beroepsuitwegen, van specialisaties en van carrière-planning, en in mijn begrip ook bij het kiezen van vorming en literatuur. Somerset Maugham heeft terecht gezegd : “I heartily wish that in my youth I had someone of good sense to direct my reading”.

Herman Cousy




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.