Share this post on:



Bij wet van 28 november 2021 met de niet zo bescheiden benaming “Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken“ werden twee aanpassingen aan boek XX WER doorgevoerd. Vroeger zou men dit eerder lezen in een reparatiewet of – als men liever geen aandacht erop wou vestigen – in een programmawet. Alles evolueert.

1.1. Vooreerst wordt een artikel 14/1 ingevoegd dat voorziet in een toegang voor de door de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank aangewezen rechter bij het centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten van de Nationale Bank van België. Dit is een interessante aanvulling bij de reeds bestaande knipperlicht-mogelijkheden. Hoe meer een rechtbank die moet oordelen over insolventie weet over de ware financiële toestand van de schuldenaar, des te beter.  Zoals iedereen wel weet, durft een schuldenaar op een zitting in insolventieprocedures wel eens creatief om te gaan met de realiteit (voor de ene is dat “liegen”, voor de andere is dat “dromen en geloven in betere tijden”). De memorie van toelichting zegt hierover – hetzij iets genuanceerder – :


 “het [is] van belang dat de rechtbank over een zo volledig mogelijke informatie zou beschikken over de reële financiële toestand van de debiteur. Dit is thans niet het geval omdat de ondernemingsrechtbank geen zekerheid heeft dat de informatie die hem werd bezorgd door de onderneming zelf of door de persoon die de dagvaarding in faillissement indient, een volledig en accuraat beeld geeft over deze financiële toestand, bij gebrek aan nazichtmogelijkheden

1.2. Maar (voor mij althans) veel belangrijker en aangenaam verrassend, is de verdere tekst in de memorie van toelichting [1] over de hierboven meegedeelde aanpassing. De (huidige) minister van Justitie omschrijft de taak van een ondernemingsrechtbank in zijn insolventiebevoegdheid correct en geeft eraan ook gepaste erkenning:

“…door de ondernemingsrechtbank worden gebruikt binnen de grenzen van haar insolventiebevoegdheid, maar ook enerzijds in haar rol van economische politie en anderzijds in het kader van de meer algemene bescherming van de verschillende betrokken belangen, namelijk de bescherming tegen de impact en de schadelijke maatschappelijke gevolgen die een faillissement met zich kan meebrengen, de bescherming van de belangen van de schuldeisers, … Dit maakt de informatie relevant voor de opdracht die door de ondernemingsrechtbank wordt nagestreefd…

De insolventierechter kan aldus volgens de Minister (terecht) aanzien worden als “de economische politie inzake insolventie ter bescherming tegen de impact en de schadelijke maatschappelijke gevolgen die een faillissement met zich kan meebrengen”. Ik vermoed dat deze mooie (en interessante) omschrijving nog wel eens ter sprake zal komen in discussies waarin men opnieuw de idee wil voeden dat insolventie een kwestie is van loutere private belangen tussen schuldenaar en (wakkere) schuldeiser(s) – quod non. In louter private belangen heeft men immers geen politie nodig. Faillietverklaring is evenzeer een noodzaak/middel om een eerlijke (relevante) markt (voor anderen) te vrijwaren.

2.1. Een tweede aanpassing houdt een rechtzetting in met betrekking tot artikel XX.106 WER. Over de fout(jes) in dit artikel is (hier) en (hier) al voldoende geschreven.

In artikel XX.106 worden de artikels  “XX.107 en XX.108” vervangen door de artikels “XX.108 en XX.109” en worden de artikels “XX.145 en XX.165” vervangen door  “XX.146 en XX.167”.

Eerder had ik met betrekking tot de aangekondigde correctie naar art. XX 167 WER, de hoop uitgedrukt dat “we dan in de memorie van toelichting van de wetswijziging, een inhoudelijke argumentatie omtrent de noodzaak van opname van artikel XX.167 [konden] lezen”

Helaas,  ook in deze memorie van toelichting wordt niet inhoudelijk meegedeeld waarom de wetgever nu de inhoud van artikel XX.167 WER zo belangrijk vindt dat dit voortaan moet betekend worden bij deurwaardersexploot[2]. In de parlementaire stukken bij de (initiële) totstandkoming van boek XX, zal u hierover ook niets lezen. Het zij zo. Wij leggen ons hierbij (sportief) neer. De wet en niets anders dan de wet, meester. Misschien kom ik de wetgever in de toekomst wel eens tegen op een officiële plechtigheid of studiedag en dan kan ik het misschien alsnog te weten komen.

3.1. Wat ik echter wel onbegrijpelijk vind, is het feit dat de wetgever deze wet niet aangegrepen heeft om nu eindelijk de fouten in artikel XX.229 § 2 WER recht te zetten.

Artikel XX.229 voorziet de verschillende mogelijkheden voor de Ondernemingsrechtbank om een beroepsverbod op te leggen aan gefailleerde ondernemers of diens bestuurders.

Artikel XX.229 § 2 WER luidt:

§ 2. Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.18 na te leven, kan de insolventierechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 59 van het Wetboek van vennootschappen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen.

De rechtbank spreekt zich uit over het verbod na dagvaarding bepaald in artikel XX.230 dan wel ambtshalve en met inachtname van artikel XX.231 bij de sluiting van het faillissement.

Anderhalf jaar geleden heb ik (hier) reeds geschreven:

Dat de vermelding “artikel XX.18 WER” in artikel XX.229. § 2 WER moet gelezen worden als “artikel XX.146 WER”, had iedereen ondertussen al begrepen gezien dit wel overduidelijk uit de parlementaire voorbereiding blijkt. Doch niettemin is dit “foutje” na twee jaar nog steeds niet “gerepareerd”. Dit is blijkbaar niet dringend. Ik heb in elk geval nog geen kennis van een rechter die louter op basis van het huidig (met een gebrek behept) artikel XX.229 § 2 WER een beroepsverbod heeft durven uitspreken. Gesneden brood voor aanhangers van artikel 6 EVRM.

Boek XX is nu ondertussen al bijna 3,5 jaar in voege en nog steeds staat  “artikel XX. 18  WER” vermeld in artikel XX.229 § 2 WER, terwijl dit uiteraard manifest onjuist is. Ik kijk in elk geval uit naar het eerste beroepsverbod dat wordt opgelegd aan een rechter-commissaris omdat hij onterecht geen toegang verleent aan een schuldeiser in Regsol (XX.18 WER).

Een beroepsverbod is één van de zwaarste (burgerlijke) straffen die een ondernemer riskeert en toch vindt de wetgever het blijkbaar niet nodig om de constitutieve elementen ervan zorgvuldig te omschrijven.  Deze aanpassing had toch even kunnen opgenomen worden in de recente wet van 28.11.2021, lijkt mij.

3.2. Doch er is nog een tweede probleem met dit artikel 229 § 2 WER.

Om welke bizarre reden ook, kan op basis van huidige wettekst van boek XX enkel iemand een beroepsverbod wegens verzuim aan de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 WER krijgen, als het faillissement werd uitgesproken in het buitenland. En enkel de insolventierechtbank van Brussel is bevoegd om een beroepsverbod uit te spreken wegens verzuim aan de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 WER.

Uiteraard is dit onjuist (en raakt dit kant noch wal), doch het is wel wat er letterlijk staat in artikel XX.229 § 2 WER.

Er is duidelijk iets misgelopen bij de redactie of het knip-en-plak werk van de uiteindelijke wettekst. Er is een zinsnede weggevallen waarin bepaald wordt dat de ondernemingsrechtbank die het faillissement heeft uitgesproken evident bevoegd is om ook in de gevallen waarin XX.146 WER wordt geschonden, het beroepsverbod uit te spreken.  Niet enkel een ondernemer die in het buitenland is failliet verklaard, moet zich immers gedragen naar artikel XX.146 WER.

Het volstaat (aangenomen) amendement 49 te lezen dat paragraaf 2 in artikel XX.229 WER heeft doen invoegen [3] :

“Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.148 na te leven, kan de insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of de insolventierechtbank in Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van…. “

In het verslag van de eerste lezing [4] wordt de tekst van amendement 49 integraal aangenomen zonder enige opmerking. Echter, in de uiteindelijke redactie van de “aangenomen tekst”[5] na die eerste lezing zien wij de verkeerdelijk overgenomen tekst, zoals deze nu nog steeds in boek XX staat. Iemand heeft wellicht ongewild de delete-knop ingeduwd waardoor de gebruikelijke nationale faillissementsrechters plots hun bevoegdheid inzake beroepsverbod wegens niet medewerking zien verdwijnen in het artikel XX.229,§ 2 WER. Dit was uiteraard nooit de bedoeling.

Om de wetgever tijd en expert-consultants te sparen, kom ik na studiewerk en multidisciplinair overleg tot volgende tekst die misschien kan dienen als aanzet van reparatiewet (zonder titel):

Reparatiewet

Art 1: Artikel 229,§ 2 van boek XX, titel 1, hoofdstuk 2, van het Wetboek economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen door  “Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 na te leven, kan de insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 59 van het Wetboek van vennootschappen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen. De rechtbank spreekt zich uit over het verbod na dagvaarding bepaald in artikel XX.230 dan wel ambtshalve en met inachtname van artikel XX.231 bij de sluiting van het faillissement”

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met ‘s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Groeten,

Vincent Verlaeckt
Advocaat


[1] Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 2175/001, p. 86

[2] Hierover wordt enkel gesteld “Het betreft een technische aanpassing naar aanleiding

van een materiële fout (kruisverwijzing)”. Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 2175/001, p. 86

[3] Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/002, p.59.

[4] Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/004, p. 61-62.

[5] Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/005, p. 116.




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *