Share this post on:



‘Nee, wat mij het meest heeft gevormd zijn niet boeken, maar de praktijk van alledag.’

Ter inspiratie voor onze zomerlectuur vroeg Corporate Finance Lab enkele BJ’s (bekende juristen) en vrienden van het Lab: (1) Welke boeken hebben u als jurist het meest gevormd ? en (2) Welke boeken neemt u straks mee op vakantie of beveelt u aan? Vandaag: Bob Wessels, emeritus hoogleraar internationaal insolventierecht aan de Universiteit van Leiden en met zijn blog over dat onderwerp één van de voorgangers en voorbeelden van Corporate Finance Lab. Hij schreeft onlangs een lijvig boek over het juridisch en financieel leven van Rembrandt.

“Zij ontwaakte langzaam, na een uitbundige vrijpartij. Zich omdraaiend zag ze zijn rug, maar ook de ruggen van boeken: No More Champagne. Churchill and His Money, van David Lough, Mijn moeders strijd, van Murat Isik, Kan de overheid crises aan? door Herman Tjeenk Willink, het Jaarboek Landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 2021 … Wat voor iemand leest dit? …. Zij zuchtte diep, draaide zich om en vervolgde de nacht ….”

Nee, boeken in dit genre lees ik zelden. Ik kan me ook geen literair werk, juridische bundel, biografie of legal thriller heugen die van indringende betekenis is geweest op mijn vorming als jurist. Misschien zie ik er een over het hoofd. Browsen door mijn privébibliotheek is lastig, omdat ruim 80 procent daarvan ruim zes jaar geleden door de Leidse juridische bibliotheek als schenking aangenomen.

De redactie van Corporate Finance Lab legt mij de twee genoemde, intrigerende vragen voor. Met genoegen wil ik deze trachten te beantwoorden, nadat ik eerst twee termen uit deze vragen (‘jurist’; ‘vakantie’) heb toegelicht.

Sommigen zien mij, waarschijnlijk door mijn behoorlijke productie van (nieuwe drukken van) boeken in het Nederlands en in het Engels vooral over (internationaal) insolventierecht, als voltijds academicus. Mag ik teleurstellen? De werkelijkheid is dat ik twintig jaar hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam was, gevolgd door zeven jaar hoogleraarschap aan de Universiteit van Leiden, voor slechts één dag per week. De overige 80% van mijn werktijd was ik gewoon commercieel juridisch adviseur, eerst als partner verbonden aan een wereldwijd werkend advieskantoor, en vanaf 2005 met een eigen praktijk vanuit mijn woonplaats Dordrecht. Gewoon adviseur, maar met een ongewone praktijk, bijna alleen werkend als counsel’s counsel, dus adviseur vooral van internationaal werkende advocaten en hen bijstaan met het verschaffen van legal opinies e.d., maar ook werkend als (internationaal) arbiter. Dus als academicus en praktijkjurist heb ik ‘Zwei seelen in meiner brust’ (Goethe).

Overigens is ook die ‘vakantie’ relatief. In Leiden ben ik sedert 2014 met emeritaat, dus heb ik ‘altijd’ vakantie! Mijn opinie- en arbitragepraktijk heb ik de vijf jaren daarna geleidelijk afgebouwd. Dus wat lees ik deze maanden?

Nee, wat mij het meest heeft gevormd zijn niet boeken, maar de praktijk van alledag. Mensen, bedrijven, collega’s, advocaten, alle met hun eigen achtergronden en hun eigen wensen, en hoe deze – vaak binnen strikte (internationale) juridische kaders – te realiseren. Dat bracht me, in 1995, in contact met het fenomeen grensoverschrijdende samenwerking in een insolventiezaak tussen rechtbanken, in casu tussen een Amerikaanse en een Canadese rechtbank, waarbij een grensoverschrijdend ‘protocol’ werd gesloten. Hierbij waren, tot mijn verbazing, typisch civielrechtelijk bepaalde proces- en insolventie kaders opgerekt c.q, te buiten gegaan. Maar het leverde concrete waardevolle oplossingen op, uiteindelijk bereikt met instemming van alle betrokkenen.

Het verschijnsel heeft me sindsdien altijd geïntrigeerd. De grensoverschrijdende (verplichte) samenwerking tussen insolventiefunctionarissen maar ook tussen rechters is sinds 2017 in de EU Insolventieverordening voorgeschreven. Toen ik vorig jaar een ‘Preface’ schreef bij wat nu een boek is, dat net is uitgekomen (Lynch Fannon, Irene and Gant, Jennifer L.L. and Finnerty, Aoife, Corporate Recovery in an Integrated Europe. Harmonisation, Coordination, and Judicial Cooperation, Edward Elgar 2022), bekroop me de teleurstelling dat rechters passief lijken te zijn, onverschillig, misschien zelfs wat onwillig ten aanzien van deze Europese ‘verplichting’. Dat is een serieuze bedreiging van de ‘mutual trust’ die tussen lidstaten wordt voorondersteld. Enfin, in de komende weken ga ik het boek eens beter doorspitten en analyseren of mijn eerste indruk wel de juiste is.

Al jaren bestaat veel vakantielectuur, ook voor een emeritus, uit het beoordelen van manuscripten voor een te verdedigen proefschrift. Aan de Tilburgse universiteit hoopt binnen enkele maanden Remco Mooi te promoveren op Without regard to foreignness. The emergence of equal treatment in early modern German insolvency, 1648-1806. Eerste doorbladering leert dat Duitse steden, vooral Frankfurt, handelslieden die niet in de stad woonden, op gelijke wijze als ‘eigen’ schuldeisers behandelden, eenzelfde positie gaven binnen een procedure en binnen het stemproces voor aan ‘akkoord’ tussen de debiteur en al zijn crediteuren. Dat is belangwekkende historische observatie. Dit ga ik eens goed verder doornemen, omdat het een verschijnsel blootlegt, dat we uit de historie eigenlijk alleen kenden uit de Noord-Italiaanse handelssteden vanaf de 14e eeuw. Wat waren de motieven voor deze welkome houding? Gold er een regel van reciprociteit? Wat was de rol van rechtbanken in deze benadering? En daarnaast: kan de huidige Europees uitgewerkte vorm van grensoverschrijdende samenwerking iets van deze historische samenwerking tussen steden in (nu) Duitsland, Zwitserland en Frankrijk opsteken?   

Het onderwerp sluit, denk ik opeens, fraai aan bij het boek dat ik onlangs las: Beter wordt het niet. Een reis door het Habsburgse Rijk en de Europese Unie van Caroline de Gruyter (De Geus, 2021), al jaren correspondent bij de Nederlandse krant NRC-Handelsblad over politiek en Europa. Het hedendaagse, door een mengeling van politiek en economie gedreven Europa krijgt eigen kleur door de inzichten die zij biedt in het functioneren van het Habsburgse Rijk (enkele eeuwen tot de Eerste Wereldoorlog). Dat omspande vooral Midden-, Oost en Zuid-West Europa, met Wenen als centrale locatie. Het was een huis met vele volkeren, talen, culturen, klederdrachten, maten, gewichten, valuta, eetgewoonten en bestuurlijke geaardheden. Geen theorie, maar aan de hand van gesprekken, in heldere korte zinnen, observerende beschouwingen en eigen inschattingen. Fraai vergelijkingsmateriaal om na te denken over de zogenoemde Brusselse bureaucratie. De huidige controverses in belangen van landen (Noord tegen Zuid; rol van de Euro; opvang migranten, verschil in graad van industrialisatie, klimaat, volksgezondheid, oplopende staatsschulden door corona-subsidies, oplopende renten om er maar enkele te noemen) worden vanuit een historisch perspectief gerelativeerd. Voor iemand die geboren is op de dag dat in Utrecht de laatste na-oorlogse voedselbonnen werden uitgereikt en door enkele decennia Koude Oorlog is gevormd is Europa, met alle ups en downs in belangencontroverses, uiteindelijk de meest werkbare formule om oorlog – en Russische destabilisatiepolitiek – buiten de deur te houden.

Bob Wessels




Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.