Accredited Investor? We Have a Deal Available Right Now! Click Here to Schedule a Call and Get Full Access

belangrijk amendement rond quasi-immuniteit van uitvoeringsagent – Corporate Finance Lab



Op de website van de kamer werden recent twee amendementen gepubliceerd in verband met het wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek (3213/003 en 3213/004). Het is vooral het laatstgenoemde amendement dat de aandacht wekt aangezien het onder meer ingaat op de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. We doen hieronder een bescheiden poging om het voorgestelde recht toe te lichten. Houd u vast voor een wilde rit door het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, verbintenissenrecht en insolventierecht.

Ter herinnering: in het huidige recht heeft de uitvoeringsagent een verregaande immuniteit ten aanzien van de contractuele schuldeiser van zijn opdrachtgever. De contractuele schuldeiser kan de uitvoeringsagent van zijn schuldenaar niet op buitencontractuele basis aansprakelijk stellen. De belangrijkste uitzondering op deze quasi-immuniteit zijn misdrijven en precontractuele fouten. Het Oud BW zelf zwijgt hierover; deze immuniteit volgt uit vaststaande cassatierechtspraak sinds het bekende Stuwadoorsarrest uit 1973.

In het wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek (3213/001) wordt voorgesteld om deze quasi-immuniteit af te schaffen. De voorgestelde afschaffing vinden we terug in paragraaf 2 van artikel 6:4 BW:

In eerdere blogposts (zie bv. hier, hier en hier) en artikels hebben wij en andere auteurs reeds meermaals de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent verdedigd en ons tegen de afschaffing ervan gekant. Zonder dat pleidooi hier nogmaals te voeren, zou de afschaffing van de quasi-immuniteit leiden tot een uitholling van de contractuele economie, nodeloze complexiteit met zich brengen en belangrijke insolventierechtelijke vragen en problemen creëren in een samenloophypothese.

In het voorgestelde amendement, wordt een drastische wijziging voorgesteld aan het hiervoor geciteerde artikel 6:4. We duiden de voorgestelde inhoudelijke wijzigingen hieronder aan via onderlijning

In het initiële wetsvoorstel was het uitgangspunt dat de contractuele schuldeiser de uitvoeringsagent van zijn contractuele schuldenaar rechtstreeks op buitencontractuele grond kan aanspreken. In het amendement wordt deze buitencontractuele vorderingsmogelijkheid opnieuw afgeschaft. De contractuele schuldeiser kan geen buitencontractuele vordering instellen tenzij voldaan is aan één van de uitzonderingen uit de eerste paragraaf, nu ook inclusief psychische schade

Dit lijkt goed nieuws voor de verdedigers van de quasi-immuniteit, maar dadelijk komt het amendement met een nieuwe vorderingsmogelijkheid voor de contractuele schuldeiser op de uitvoeringsagent op de proppen. Art 5:110 BW wordt namelijk aangevuld met een paragraaf 2, waardoor het deze vorm aanneemt:

Voor zij die begrijpelijkerwijze niet meer kunnen volgen een korte samenvatting: De contractuele schuldeiser krijgt niet langer een buitencontractuele vordering op de uitvoeringsagent van zijn contractuele schuldenaar. Hij krijgt door de aanpassing van artikel 5:110 BW wel een “rechtstreekse vordering” op de uitvoeringsagent waarbij de uitvoeringsagent zowel de excepties uit de relatie contractuele schuldeiser-contractuele schuldenaar (hoofdrelatie) kan inroepen als die uit zijn eigen relatie met de contractuele schuldenaar (hulprelatie). Indien echter voldaan is aan de uitzonderingshypotheses uit artikel 6:4 BW (fysieke en psychische schade of fout met opzet om schade te veroorzaken) kan de contractuele schuldeiser een buitencontractuele vordering instellen tegen de uitvoeringsagent waarbij laatstgenoemde geen excepties kan inroepen.

De bedoeling van deze post is niet om deze wijziging volledig inhoudelijk te analyseren of te beoordelen. We sommen wel enkele initiële bedenkingen op.

De verwijzing naar een rechtstreekse vordering is allereerst niet volledig duidelijk. Zoals Matthias Storme terecht aankaart omvat de term rechtstreekse vordering vele te onderscheiden rechtsfiguren naar Belgisch recht die elk hun eigen modaliteiten hebben. De rechtstreekse vordering die hier wordt toegekend aan de contractuele schuldeiser kwalificeert volgens ons als een zakelijk zekerheidsrecht. Het belangrijkste gevolg hiervan is, dat hij in tegenstelling tot de zijdelingse vordering, ontsnapt aan de samenloop en een separatistenpositie inneemt bij insolventie. Met andere woorden: bij insolventie verandert er eigenlijk weinig tot niets in vergelijking met het initiële wetsvoorstel. (Zie hierover uitgebreider: M. STORME, Verbintenissenrecht, Gent-Mariakerke, 2018, p.195 e.v. en p.277; I. CLAEYS en T. TANGHE, Nieuw algemeen contractenrecht, Mortsel, Intersentia, 2023, p. 588 e.v.)

Die conclusie kunnen we enkel maken op voorwaarde dat de contractuele schuldeiser ook bij insolventie van zijn schuldenaar de rechtstreekse vordering nog kan instellen. De vraag zal namelijk rijzen of die rechtstreekse vordering ingesteld moet zijn voor de samenloop, zoals dat bij de rechtstreekse vordering van de onderaannemer op de bouwheer het geval is volgens vaste cassatierechtspraak (bv. cass. 18 maart 2010, AR C. 09.0136). In het voorgestelde artikel 5.110 BW vinden we alvast geen antwoord. Voor de insolventiepraktijk zal deze vraag nochtans van cruciaal belang zijn.

Daarnaast is het ook onduidelijk of dit rechtstreekse vorderingsrecht ook verder reikt dan in een driepartijenverhouding. Kan de contractuele schuldeiser ook een rechtstreekse vordering instellen t.o.v. de uitvoeringsagent van de uitvoeringsagent? Ook dit volgt niet uit paragraaf 2 van het voorgestelde artikel 5.110 BW.

Wanneer we de voorlopige balans opmaken met betrekking tot onze bedenkingen bij de afschaffing van de quasi-immuniteit, komt het amendement vooral tegemoet aan de contractuele economie. De uitvoeringsagent kan nu ook de excepties uit de contractuele relatie tussen zichzelf en zijn opdrachtgever (de contractuele schuldenaar) tegenwerpen aan de uitvoeringsagent. Dit had het amendement echter ook kunnen voorzien door die tegenwerpelijkheid simpelweg in te schrijven in artikel 6:4 BW zonder de nodeloos ingewikkelde omweg van de rechtstreekse vordering te volgen.

De complexiteit die volgt uit het kluwen aan aansprakelijkheidsvorderingen en de onwenselijke insolventierechtelijke gevolgen blijven daarentegen bestaan. Bovendien creëert de rechtstreekse vordering meer vragen en problemen dan ze oplost. Zonder twijfel zal de voorgestelde wet de komende 30 jaar dan ook tot rijke (cassatie)rechtspraak leiden over de talloze onzekerheden die ontstaan. Zou de beste oplossing dan toch niet zijn om de quasi-immuniteit gewoon te behouden?

Olivier Roodhooft
Instituut voor Handels- en Insolventierecht
KU Leuven




Source link

Related Articles

Article