Share this post on:



Het meest recente nummer van het TPR omvat een lijvig verslag van het rondetafelgesprek over de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht gehouden op 25 februari 2022 te Leuven. De levendige parlando-stijl van het verslag maakt het zeker de moeite waard om er in te grasduinen.

Een thema dat werd besproken is de rechtspersoon in het privaatrecht en het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht in het bijzonder. Het is zonder twijfel een grote verdienste van het ontwerp om ook de rechtspersoon expliciet in het buitencontracuteel aansprakelijkheidsrecht te betrekken. Ik zelf brak een lans om dit niet te beperken tot rechtspersonen (TPR 2022, p. 1162).

Commissielid Prof. Dr. Jeroen Delvoie erkende dat ook bij organisaties zonder rechtspersoonlijkheid aan rechtspersonen gelijkaardige toerekenings- en andere vragen stellen, maar dat dit ook via een interpretatie per analogie kan, zoals nu overigens gebeurt (TPR 2022, p. 1164-1165). Kamerlid Prof. Dr. Koen Geens sprak zijn voorkeur uit voor een expliciete verwijzing naar maatschappen en gelijkaardige organisaties (TPR 2022, p. 1166).

Hieronder licht ik toe waarom dit verkieslijk is en hoe dat – naar mijn mening met een zeer lichte penseelstreek – kan gebeuren.

* * *

Het Ontwerp van de Commissie tot hervorming van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (zoals gepubliceerd in 2019) geeft voor het eerst een expliciete regel hieromtrent toerekening van onrechtmatig handelen aan rechtspersonen met artikel 5.158, dat de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor leden van bestuursorganen schoeit op de leest van de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde.

Verder is er voorstel van artikel 5.144 van het Ontwerp:  “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing zowel op private en publieke rechtspersonen als op natuurlijke personen, tenzij het tegendeel volgt uit de wet of de toepassing ervan onverenigbaar is met de aard van de rechtspersoon.”. Dit laatste codificeert het vigerende recht.

Hoewel het een grote stap is dat de rechtspersoon een expliciete plaats krijgt in het BW, is het jammer dat het Ontwerp niet erkent dat ook organisaties zonder rechtspersoonlijkheid in het privaatrecht moeten worden ingepast. Het ondernemingsrecht wijst hier de weg.

Het formele ondernemingsbegrip, ingevoegd bij Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, stapt af van de klassieke tweedeling tussen natuurlijke en rechtspersoon als een formule die heel het juridisch universum zou omvatten. Dit ondernemingsbegrip wordt gebruikt in het WER met inbegrip van het insolventierecht, het bewijsrecht in boek  8 van het BW en de omschrijving van de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank in het Ger.W.

Krachtens artikel I.1, 1°, al. 1, (c) WER geldt als onderneming, naast natuurlijke personen met een zelfstandige beroepsactiviteit en rechtspersonen, ook iedere ‘andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid’. Een ‘organisatie zonder rechtspersoonlijkheid’ wordt in de parlementaire voorbereiding omschreven als een organisatie die drager is van eigen rechten en verplichtingen en die als dusdanig deelneemt aan het rechtsverkeer (MvT, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 29).

Het bekendste voorbeeld van zulke ‘organisatie zonder rechtspersoonlijkheid’ is de maatschap, die eigen rechten heeft (onverdeelde maatschapsgoederen) en eigen verplichtingen (maatschapsschulden). Bovendien bepaalt artikel 4:14 WVV dat de maatschap een afgescheiden vermogen heeft. De maatschap is daarmee een voorbeeld van een ‘juridische geheel van goederen’ of juridische algemeenheid (universitas iuris) uit het nieuwe artikel 3.68 (nieuw) BW, al. 2 dat verwijst naar een boedelgemeenschappen met afgescheiden vermogen. Ook deze boedelgemeenschappen kunnen gelden als organisaties zonder rechtspersoonlijkheid in de zin van het ondernemingsrecht. Ook de faillissementsboedel kan beschouwd worden als een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, met eigen rechten (o.a. de vorderingen voor collectieve schade) en eigen verplichtingen (boedelschulden).

De wetgever had als bijkomende doelstelling om ook buitenlandse organisaties die hun centrum van voornaamste belangen in België zouden hebben, aan het Belgische insolventierecht te onderwerpen, ook als ze niet in een gekende Belgische categorie passen.(MvT, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 29, hernomen in MvT, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2828/001, 12-13.) Voorbeelden hiervan zijn de (buitenlandse) trust en de handelszaak met een afgescheiden vermogen en/of beperkte aansprakelijkheid. Door de werking van het IPR moet uiteraard ook het Belgisch verbintenissenrecht worden toegepast op zulke exotische organisaties zonder rechtspersoonlijkheid.

* * *

De invoeging van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid kan m.i. vrij eenvoudig gebeuren. Bijvoorbeeld een voorstel van amendering van voorgesteld artikel 5.144 van het Ontwerp:  “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing zowel op private en publieke rechtspersonen en andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid als op natuurlijke personen, tenzij het tegendeel volgt uit de wet of de toepassing ervan onverenigbaar is met de aard van de rechtspersoon of de organisatie.”

Eventueel zou kunnen worden toegevoegd “in de zin van artikel I.1, 1°, al. 1, (c) Wetboek Economisch Recht“, als zal er ongetwijfeld bij civilisten weerstand bestaan tegen verwijzing naar zo’n mercantiel wetboek. Dit kan dan ook eventueel in de memorie worden verduidelijkt.

Joeri Vananroye





Source link

Share this post on:

Leave a Comment

Your email address will not be published.